Depressie dreigt volgens velen volksziekte nummer 1 te worden. Cultuurcritici zoeken naar verklaringen. Is het de maatschappij die ons opjaagt? Zijn we doetjes en watjes die nergens meer tegen kunnen?

Een hardvochtige moeder, een afwezige vader en veeleisende grootvader, een gereformeerde opvoeding en het onvermogen om duurzame relaties op te bouwen stelt Maarten van Buuren niet aansprakelijk voor zijn ineenstorting. De depressie is van hemzelf. De enige manier om haar te overwinnen, is haar toe te eigenen als deel van hemzelf. Depressie behoort bij wie hij is, zij maakt deel uit van zijn identiteit. Het is de lege ruimte waaromheen zijn ’ik’ cirkelt. Het ‘ik’ van Maarten van Buuren blijkt geen stabiele en onveranderlijke kern van zijn persoonlijkheid, maar een kaartenhuis dat zomaar om kan vallen.

Depressie kan tegenwoordig gezien worden als een verzamelnaam voor verschijnselen als slapeloosheid, angst, vermoeidheid, neerslachtigheid, het afvlakken van emoties, het ontbreken van initiatief, besluiteloosheid, het verlies van energie en concentratievermogen, gebrek aan belangstelling voor dagelijkse bezigheden, geplaagd worden door gevoelens van hulpeloosheid en persoonlijk falen, gedachten aan dood en zelfmoord. Stemmingsstoornissen die, als ze duurzaam en in voldoende dichtheid optreden het label ’depressie’ krijgen.

Depressie is hard op weg volksziekte nummer 1 te worden, schrijft Trudy Dehue in ’De depressie-epidemie’. Tussen 1993 en 1998 nam het aantal depressieve stoornissen toe met 63 procent en het aantal recepten voor antidepressiva met 278 procent. Depressie is een ernstige aandoening met een enorme ziektelast, die mensen verhindert normaal te functioneren.

Depressie wordt je niet aangepraat. Ook de cultuurkritiek dat we doetjes en watjes zijn geworden in een softe welvaartsmaatschappij, zodat we bij de minste tegenslag het leven niet meer aankunnen en neerslachtig naar de dokter gaan, is onbevredigend.

Dehue wijst voor een beter begrip van de depressie-epidemie op het morele dictaat van de neoliberale cultuur dat het individu voorschrijft het lot in eigen hand te nemen. Het feit dat ieder ‘zelf’ verantwoordelijk is om zichzelf tot iemand te maken die in de ogen van anderen en van zichzelf iets voorstelt, is misschien wel de depressogene factor bij uitstek. Elk individu wordt vandaag geacht zijn eigen onderneming te zijn: initiatiefrijk, energiek, gemotiveerd, flexibel, stressbestendig, communicatief, risico nemend. Het zijn de minimale voorwaarden voor iedereen om het te redden in het leven. Het cultuurideaal van het maakbare individu schept een nieuwe tweedeling tussen winners en losers. De losers zijn zij die bezwijken onder de pressie zichzelf te worden. Zij vormen het groeiende leger dat noodgedwongen een beroep doet op de geestelijke gezondheidszorg. De GGZ als de schaduweconomie van de performancecultuur.

Dehues analyse verdient een verdieping om aannemelijk te worden. Een competitieve prestatiemaatschappij alléén kan niet verantwoordelijk zijn voor de depressiegolf. Van een wedstrijd met anderen worden we wel moe, maar niet ziek. Ziek worden we vooral van de competitie met onszelf. Dat is immers een race die we nooit kunnen winnen. De pressie om jezelf onophoudelijk te overtreffen en de depressie – tussen die twee moet een samenhang bestaan.

Achter de liberale flirt met de ondernemer als rolmodel, die sinds begin jaren negentig opgeld doet, ligt de oermythe van de moderne cultuur: het Zelf dat uit het Niets zichzelf tot een soeverein individu schept. De wet wordt je dan niet meer gesteld door God of de staat, en zelfs niet door de mensheid in jou. Volstrekte vrijheid is: je eigen waarden willen en kunnen uitvinden.

Dat moderne oerverhaal verleent een enorme dynamiek aan de ideale persoonlijkheid. Niet de Rede maar de Wil wordt dominant. Wie zichzelf schept, is immers nog niet klaar met zichzelf. Hij is zijn eigen transcendentie geworden. Zelfontplooiing is dan voortdurende zelfverbetering. Je gaat de competitie met anderen niet aan omdat je status van hun oordeel afhankelijk is, maar om je eigen grenzen te testen en overschrijden. De mens moet onophoudelijk ’aan zichzelf werken’.

Kun je ooit zo leven? Met vallen en opstaan proberen wij allemaal onszelf voortdurend uit te vinden en dwingen ook elkaar daartoe. Daardoor worden we andere mensen. In de disciplinaire, hiërarchische samenleving van nog geen eeuw geleden had je een voorgegeven plaats en was je wat je deed. Ingebed in instituten als Staat, School, Kerk of Bedrijf vervulde je je rol. Nu leven we in een samenleving van elkaars gelijken en ligt er geen vast script meer voor je klaar. We staan aan dezelfde startstreep en moeten een bijzonder iemand worden. Onderscheiden kunnen we ons alleen door energiek initiatieven te ontplooien. Het leven was ooit een lot, een ’bestemming’. Nu is het een reeks van keuzes waarmee wij onze eigen geschiedenis scheppen. Persoonlijke identiteiten zijn open en onbepaald. Het ik is een project in niemandsland, waarin we onze eigen gids, onze eigen horizon zijn.

Daarmee krijgt ook moreel gezag een ander gezicht. Het gebod ligt niet meer buiten ons, maar is verinnerlijkt. We worden onze eigen rechter. Dat we schuldig staan tegenover een wet boven ons, daarvan liggen we niet meer wakker. Wel van ons onvermogen om aan onze eigen eisen te voldoen. Van lieverlee zijn we overgegaan van een schuld- naar een schaamtecultuur. Niet dat wij ons voor ánderen schamen; wij schamen ons voor ons eigen, nagestreefde zelf.

Wie in een depressie terechtkomt, kan zichzelf niet meer in de ogen zien. Hij schaamt zich uiteindelijk zo diep dat hij zichzelf nog liever uitwist dan dat hij van zichzelf wegkijkt. Depressie is een vorm van zelfagressie.

Doorgaans laten we onze zelfwaardering sterk afhangen van wat we in de ogen van anderen waard zijn – bang voor hun oordeel. ’Statusangst’, noemt de Britse schrijver Alain de Botton dat. Maar zelfs als ons door anderen niets dan lof toe wordt gezwaaid, dan nog zijn we ongelukkig met onszelf. Meer nog dan in de veeleisende ogen van anderen, bestaan we in de oneindig ontevreden ogen van onszelf. Vandaar dat we onze doelen voortdurend bijstellen, telkens ietsje hoger, ietsje verder. Wie tevreden is met zichzelf, is een loser.

Depressie is de vermoeidheid die je verhindert nog langer jezelf te zijn. Niet de melancholie kenmerkt de moderne depressie, maar veeleer het wegvallen van elk vermogen tot handelen. Depressies vandaag, aldus Dehue, kun je definiëren als ’het antoniem van ondernemingslust’, het flagrante echec van persoonlijke productiviteit.

Depressie is het falen van de wil, die het niet langer kan opbrengen nog te willen. Het is de pathologie van een samenleving waarin de norm niet meer door schuld en discipline, maar door eigen verantwoordelijkheid en initiatief wordt gesteld. De gedeprimeerde is een mens die het bijltje van de zelfschepping er noodgedwongen bij neergooit. Een mens die vermoeid, geremd, vertraagd, tijd- en toekomstloos, niet meer weet te handelen.

De depressie kijkt de andere kant uit. Niet de vroegere relatie met een strenge Vader of verstikkende Moeder, maar de onleefbare toekomst met Onszelf is haar probleem. Door de druk om zichzelf morgen weer opnieuw uit te moeten vinden, verkeert het soevereine individu in een voortdurende staat van oorlog met zichzelf. Zelf nummer 1 zal opgevolgd moeten worden door Zelf nummer 2, en dat tot in de zoveelste macht. Zolang je de energie kunt opbrengen om die spanning levend te houden, blijft er afstand tussen wie je bent en wie je volgens jezelf zou moeten zijn. Die ruimte verschrompelt bij een depressie. De zelffabriek implodeert. Het soevereine individu moet zoveel zelven tegelijk in de lucht houden dat het ze, achter adem geraakt en ten einde raad, in één keer laat vallen.

De naoorlogse cultuur van de zelfontplooiing lijkt met de depressiegolf in zijn tweede fase beland: ging het aanvankelijk alleen om de bevrijding van het individu van externe autoriteiten, nu moet het verlost worden van de druk van zijn eigen innerlijk.

Kun je er ooit van genezen? ’Genezing’ zou betekenen dat het innerlijk conflict tussen het werkelijke en het wenselijke zelf op de bodem van de ziel is opgelost. De enige remedie is de zelffabriek op minder toeren te laten werken, en genoegen te nemen met een kleiner, bescheidener ik.

’De dood van God’ stond bij Nietsche voor de afrekening met de illusie van een morele wereldorde, waarin de zin van ons leven zou zijn voorgegeven. De zin van het leven is niet een zaak van ontdekken, maar van scheppen. Rondom het lege midden van het Niets moeten we ons heroïsch een robuuste identiteit construeren. Maar het moderne ik blijkt in werkelijkheid weinig om het lijf te hebben. Het is een kaartenhuis boven de afgrond.

Mensen met een depressie verdienen het niet weggezet te worden als patiënt of loser, integendeel. Het zijn gidsen in het nihilistisch universum.

Er is nog een optie. Die eist een veel langere adem en een ingrijpende koerswijziging van onze cultuur. We zullen weg moeten van de mythe van het soevereine individu die ons dwingt onszelf scheppend te overtreffen, en die ons in de depressie stort als we daar de energie niet meer voor hebben.

Het soevereine individu is zijn eigen transcendentie. „Wie de lat te hoog legt voor zichzelf, gaat er gemakkelijk onderdoor”, schreef Loesje. Het voortdurend opblazen van ons identiteitsproject kweekt kwetsbare zelven, onzekere hoopjes Dasein die als luchtballonnen zweven boven het afgrondelijk Niets. Wie of wat breekt door dat mechanisme heen?

Twee wegen zouden ons uit de impasse kunnen voeren. Om te beginnen afscheid nemen van de – letterlijk uitzichtloze – plicht om nog langer je eigen transcendentie te zijn. We hebben echte transcendentie nodig, een horizon die ons zelf overstijgt. De Lange ontleent de term zelftranscendentie aan de Joodse filosoof-psychiater Viktor E. Frankl. Hij overleefde vier concentratiekampen en zette na de oorlog zijn overlevingskunst in voor zijn psychiatrische praktijk. Frankl had in het kamp redenen om niet dood te mogen gaan: zijn boek moest geschreven worden en zijn vrouw wachtte op hem. Iets of iemand buiten jezelf hebben om voor te leven – dat houdt een mens op de been, concludeerde hij naderhand. Vraag niet wat jij van het leven kunt verwachten, maar vraag wat het leven van jou verwacht, werd zijn motto. Hoe meer iemand zichzelf verliest (of: zichzelf transcendeert) in zijn toewijding aan een zaak of mens, des te meer wordt hij zichzelf.

„Zelfverwerkelijking is alleen mogelijk als een neveneffect van zelftranscendentie”, schreef Frankl. ‘Responsibleness’ is de essentie van zinvol menselijk leven. We kunnen ons door anderen laten verlossen van de innerlijke noodzaak onszelf voortdurend te overtreffen. We hoeven zelf niet eens het masterplan te bedenken dat ons uit de bewegingsloosheid haalt; we laten ons overhalen tot, inschakelen in het appèl dat van buiten op ons afkomt. Iets of iemand anders moet ons toch uit de baan om die zwarte zon kunnen stoten? Misschien vinden we uiteindelijk onszelf wel door onszelf te verliezen.

Het tweede dat de pressie zou kunnen verlichten is zelfacceptatie. Zelfverbetering is een uitzichtloos dictaat. Wie daarentegen kan zeggen: dit ben, dat kan ik, en daar kan ik ja op zeggen, laat alle valse lucht weglopen. Hij hoeft niet meer eeuwig ontevreden aan zichzelf te werken. Zelfaanvaarding bevestigt de eigen particulariteit, aanvaardt de eigen eindigheid. Met mij moet ik het doen – laat ik dat dan ook van harte willen.

Vaak kunnen we dat niet opbrengen, en zijn het anderen die in hun beroep op ons sjofele zelf er de oneindige waarde van bevestigen. De zelftranscendentie drijft ons dan tot zelfacceptatie. Een ander die tegen je zegt: ’Ik wil jou. Niet je repertoire aan mogelijke zelven, maar jou’, geeft je weer grond onder de voeten als je zweeft boven het Niets.

 

Laat een reactie achter